Het aanpakken van de wereldproblematiek : waarom we het wel kunnen, maar (nog) niet doen

De grote vraag van onze tijd is niet hoe we de ‘grote problemen’ moeten aanpakken, maar waarom we het (nog) niet doen. Er zijn veel uitdagingen in onze Nederlandse samenleving, in Europa, in de wereld. Klimaatverandering, sociale ongelijkheid, het failliet van ons economische systeem, afbrokkeling van solidariteit, en ga zo maar door. Maar o zo vaak heb ik het gevoel dat we allemaal struisvogels zijn. Struisvogels die hun koppen in het zand steken.

 

Het zand is warm en comfortabel. Het is de plek waar we een Albert Heijn hebben met alles wat ons hartje begeert. Met onze kop in het zand kunnen we zonder schuldgevoel langs een zwerver lopen en onszelf vertellen dat er een daklozenopvang bestaat en zoiets als eigen verantwoordelijkheid. Dankzij het zand kunnen we een mango kopen met een ‘fair trade’ sticker erop en ons een totale milieu activist voelen. (In plaats van ons bezig te houden met de vraag hoe duurzaam en eerlijk dat zoete vruchtvlees daadwerkelijk geproduceerd is).

 

In het zand is consumptie de oplossing voor een economische crisis, het redden van een bank de oplossing voor de bankencrisis, en CO2 opslag de oplossing voor een te hoge CO2 uitstoot. In het zand hebben we alleen maar oog voor onze directe omgeving, de zeer nabije toekomst, en de symptomen van de problemen in plaats van de problemen zelf.

 

Soms heb ik zelfs het gevoel dat we het zand nodig hebben om te kunnen functioneren. Zonder het zand zouden we het allang hebben opgegeven. Zonder het zand zouden onze motivatiebrieven niet meer volstaan met woorden als ‘maatschappelijke impact’ en ‘het verschil maken’. We zouden wegschroeien in de hete zon, die ‘global challenges’ heet.

 

Maar is ons gevoel van wanhoop, van ‘toch geen verschil kunnen maken’, wel terecht? Welke mechanismen stoppen ‘ons’, Nederlanders en wereldburgers, in het aanpakken van de problemen? In andere woorden, waaruit bestaat het zand en hoe komen we erin terecht? Als we deze mechanismen doorzien, kunnen we met mate onze kop uit het zand halen en misschien zelfs wel onze kop boven het maaiveld uitsteken.

Waarom we het wel kunnen

Eén van de voorvechters van een positiever beeld van het menselijk oplossingsvermogen was Hans Rosling. De Zweedse statisticus maakte er zijn levenswerk van om de vooruitgang van de mensheid in de afgelopen decennia genuanceerd zichtbaar te maken. Zijn belangrijkste boodschap : verdeel de wereld niet in twee groepen : arm en rijk, ontwikkeld en onderontwikkeld. Dat binaire beeld is achterhaald. Met simpele bubbel-diagrammen liet Rosling de mondiale vooruitgang zien die dankzij menselijke inventiviteit is bereikt. Hij liet bijvoorbeeld zien dat de levensverwachting, waterkwaliteit, ondervoeding en vaccinatiegraad, maar ook het percentage van meisjes dat de basisschool afmaakt allemaal enorm gestegen zijn sinds 1965.

 

De mens heeft dus al vaker laten zien dat  hij de capaciteit heeft om grote uitdagingen aan te gaan. We ‘kunnen’ het wel. Dit geldt ook voor de uitdagingen die nu spelen. Een gebrek aan kennis en technologie zijn namelijk niet de grootste struikelblokken om de problemen aan te kunnen pakken. Bijvoorbeeld : Nederland kan in 2030 volledig klimaatneutraal functioneren. Dit onderzocht de NGO Urgenda, die ook de klimaatzaak tegen de Nederlandse staat won.

 

Het gebrek aan actie ligt ook niet aan een gebrek aan beschikbare informatie (en dus kennis). Nog nooit sinds de opkomst van het internet is er zo veel informatie-uitwisseling mogelijk geweest. Miljoenen boeken zijn gratis te downloaden, een skype-verbinding kan worden opgezet met alle uithoeken van de wereld, en duizenden kranten en online vakken zijn met een muisklik toegankelijk. Je hoeft het alleen maar te ‘Googlen’. Als we het willen, kunnen we ‘het’ weten.

 

De crux ligt dus niet in een gebrek aan beschikbare kennis of technologische ontwikkeling. Maar waaraan ligt het dan wel?

Competitie voor onze aandacht

Internet en sociale media staan helaas niet alleen symbool voor gelijkheid en toegang tot informatie, maar ook voor grote internationale gebeurtenissen zoals de Arabische lente en de verkiezing van Donald Trump. Wat blijkt? Sinds de opkomst van het internet is onze informatievoorziening eenzijdiger geworden dan ooit. Misschien ontstaat er door de grote hoeveelheden beschikbare informatie een noodzaak om een selectie te maken. Terwijl in het tijdperk voor het internet die taak misschien lag bij de nationale kranten, wordt de selectie nu gemaakt door bedrijven als Google en Facebook. Vaak is dit een selectie op basis van wat bedrijven denken dat je ‘wil weten’, met als gevolg : ‘de filter bubble’. Zo ontstaat er een rare paradox waarin de potentie bestaat alles te ‘kunnen weten’. In de praktijk leidt dit tot een verdere beperking van wat men ‘wil weten’. Het internet biedt het comfort aan de menselijke psyche om voornamelijk met informatie uit de eigen ‘filter bubbles’ geconfronteerd te worden. Zo word je letterlijk afgeschermd van informatie die je eigen wereldbeeld uitdaagt en dus ook van informatie die je tot actie zou kunnen aanzetten.

 

Dit gebeurt op twee manieren. Aan de ene kant wordt je niet of weinig met nieuws geconfronteerd dat jou zou kunnen confronteren met je eigen verantwoordelijkheid in de wereldproblematiek of de ontwikkelingen op de lange termijn. Grote nieuwsmedia rapporteren bijvoorbeeld over vluchtelingenstromen die  veroorzaakt worden door een oorlog van een dictator tegen zijn volk in het Midden Oosten. Echter, wat daar niet bij verteld wordt is dat Europese landen vaak verantwoordelijk zijn voor het leveren van wapens aan dat conflict. Aan de andere kant wordt je aandacht wel opgezogen door een eindeloze stroom aan nieuws over korte termijn incidenten die je vooroordelen bevestigen (nog een Afrikaanse leider is corrupt geweest) of ellende die zo groot lijkt, dat je er weinig aan kunt doen (klimaatverandering heeft de oorlog in Syrië mede veroorzaakt). Zo ontstaat er aan de ene kant een verkeerd beeld van het probleem (wat een slechte dictator in plaats van het Europese land x heeft wapens geleverd) en tegelijk een competitie voor onze beperkte aandacht. Maar de uitkomst van die competitie is helaas vaak aandacht voor diegene die het hardste schreeuwt of het zieligste plaatje gebruikt. Zoals Rutger Bregman recent nog schreef op de Correspondent “empathie is niet de oplossing, maar de oorzaak van onze grootste problemen” (Bregman, 2018).

 

Deze competitie voor aandacht leidt dus niet tot een rationeel of genuanceerd wereldbeeld. In plaats daarvan is ons idee van de daadwerkelijke urgente problemen en welke invloed we daarop kunnen hebben verstoord. We hebben aandacht voor de dagelijkse en  vaak irrelevante uitspraken van wereldleiders, maar zien niet vaak genoeg waar die de afgelopen tien jaar tot geleid hebben. Bovendien komt een overvloed aan negatieve berichtgeving ons constant tegemoet.

Apathie als zelfbescherming

Een gevolg van deze stormvloed aan negatieve prikkels werd sterk verwoord in het bekendste boek* van ‘Victor Frankl’. Frankl was een psycholoog die tijdens de tweede wereldoorlog meerdere jaren in concentratiekampen verbleef. In zijn boek beschrijft hij het belangrijkste effect van het kamp op de gevangenen: apathie. Doordat de gevangenen alleen maar met ellende omringd worden, treedt een vorm van zelfbescherming op. Ieder individu heeft maar een beperkte hoeveelheid energie en die energie is voor de gevangenen letterlijk van levensbelang. Het lijkt een logisch gevolg dat gevangenen zich afsluiten voor de verschrikkingen die ze constant om zich heen zien.

 

In onze samenleving worden we op eenzelfde manier continu met problemen geconfronteerd. Je hoeft het nieuws maar aan te zetten en je hoort over een nieuw incident. ‘Trump zegt het klimaatverdrag van Parijs op’. In Munster heeft een terroristische aanslag plaatsgevonden’. De rijkste 1 procent in de land y bezit x procent van het kapitaal. Als je je de volledige scope van de wereldproblematiek doorziet, kan je bijna niet anders dan je in je appartement op te sluiten met een fles wijn, ‘love actually’ en een reep ‘Tony Chocolonely’.

 

Jelmer Mommers (2015) benadrukte het al eens. Het apocalyptische verhaal dat gepaard gaat met problemen zoals klimaatverandering houdt passiviteit in stand. Het werkt verlammend. Het is David tegen Goliath. Het individu tegen het klimaat. Het is ‘Remi alleen op de wereld’. Kom je nog in actie, als je het gevoel hebt dat jouw individuele bijdrage toch niet uitmaakt? En blijf je nog gevoelig voor de problemen om je heen, als je er de hele dag mee geconfronteerd wordt?

 

Het antwoord is natuurlijk nee. Dit brengt me tot de volgende paradox : meer blootstelling aan de wereldproblematiek, zorgt ervoor dat we minder actie ondernemen.

 

De constante stroom aan berichtgeving leidt ons af en geeft het gevoel dat er elke dag een nieuw probleem is. Daardoor is het moeilijk een focus te ontwikkelen en krijg je in plaats daarvan snel een gevoel van moedeloosheid en apathie.

 

Een mechanisme dat verder bijdraagt aan deze apathie zijn begrenzingen. Een emotionele afstand of apathie is namelijk gemakkelijker in stand te houden als er ook andere begrenzingen in het spel zijn. Dit kunnen letterlijke begrenzingen zijn, zoals afstand, of figuurlijke begrenzingen, zoals de anonimiteit van het internet of het individualisme in de samenleving.

Afstand en tijd

Letterlijke afstand is één van de belangrijkste kenmerken van het internationale handelssysteem. Bijvoorbeeld : door globalisering is ons voedselsysteem totaal over de wereld verspreid. Het systeem dat voedsel voor miljarden mensen mogelijk maakt, zorgt ook voor geweldige verspilling en exploitatie van mens en natuur. Maar die verspilling en exploitatie zien we niet doordat we er letterlijk niet bij zijn. We zien nooit de pijn van een dier als het geslacht wordt. Dat ondermijnt het natuurlijke respect dat normaal met zo’n proces gepaard zou gaan en de menselijke vleesconsumptie op een natuurlijke wijze zou beperken.

 

Tijdens een reis door Kenia, werd ik vrij direct met het effect van afstand op mijn consumptie geconfronteerd. Ik bezocht een sloppenwijk in Nairobi en sprak met de lokale bevolking over de sanitaire voorzieningen. De bewoners lieten de rivier zien die twee wijken van elkaar scheidde. We liepen over een bedding van plastic zakken waartussen pikzwart water stroomde. Een dag later bleek waar de vervuiling vandaag kwam. Andere studenten hadden gezien hoe een fabriek van een grote en bekende westerse cosmeticagigant fel gekleurd water vol chemicaliën direct de rivier in liet stromen.

P1090302-2
De welbewuste rivier. Foto : Moritz Menzel

Ik had nota bene mijn gezicht die dag nog ingesmeerd met zonnebrand van het merk. Ja ik wist wel dat de fabriek niet in Nederland zou staan en dat er eventueel iets niet helemaal ‘pluis’ zou kunnen zijn. In andere woorden, ik had het kunnen weten, maar wilde het als ik heel eerlijk ben niet weten. Dat was mogelijk omdat ik de gevolgen niet had gezien. Fysiek naast een vervuilde rivier staan waar kinderen naar bruikbare spullen zoeken tussen het afval, is absoluut iets anders dan weten dat het product hoogstwaarschijnlijk niet clean is. Zou ik dat product ook hebben gekocht als ik van die rivier dagelijks zou zien? Waarschijnlijk niet.

 

Laat ik het nog sterker stellen. Zou ik het product hebben gekocht, als dat als direct gevolg zou hebben dat achter mijn woning een pikzwarte rivier zou stromen? Zou ik het product hebben gekocht, als ik vervolgens mijn eigen moestuin zou moeten besproeien met datzelfde water? Zou ik het hebben gekocht, als ik van die moestuin afhankelijk was voor mijn voedselproductie?

 

Westerse bedrijven die door middel van uitbuiting en vervuiling hun producten produceren, kunnen dat niet doen omdat hun klanten dat gedrag expliciet goedkeuren, maar doordat die klanten nauwelijks met de naar het buitenland ‘geëxporteerde gevolgen’ geconfronteerd worden. Wij kunnen hier zo luxe leven, omdat andere mensen daaronder lijden. De afstand maakt het tolereren van de misstanden makkelijker.

 

Tijd volgt hetzelfde principe. Als het langer duurt voordat de gevolgen van jouw individuele acties merkbaar worden, is het makkelijker je schouders op te halen voor de gevolgen. Bijvoorbeeld bij klimaatverandering worden we niet met de gevolgen van onze consumptie en emissie geconfronteerd door ‘tijd’. Men weet dat het gedrag op de lange termijn gevolgen heeft, maar wordt er op de korte termijn niet mee geconfronteerd. Daardoor is het makkelijker je bezig te houden met ‘urgentere zaken’ en actie uit te stellen. Iets wat we de afgelopen decennia hebben gedaan.

 

Maar de concrete vormen van afstand en tijd verklaren niet alle ‘inactie’. Voor een compleet beeld moet je ook kijken naar kenmerken van de huidige samenleving  die bijdragen aan bepaalde vormen van ‘inactie’ en een zogenaamde ‘moral disengagement’ of apathie.

Globalisering, diffuse van verantwoordelijkheden & hiërarchie

Toen de onderzoeker Zimbardo in 1971 zijn beroemde ‘Stanford prison experiment’ startte, had niemand de gebeurtenissen voorzien die zouden volgen. Normale studenten die de rol toebedeeld kregen van gevangene of cipier bleken in staat tot exorbitante hoeveelheden van geweld. Ook al zijn het experiment en de conclusies voor de psychologie niet onomstreden, zorgde de academische publicatie wel voor een debat in en rond de vraag: wat zet individuen aan tot het plegen of tolereren van geweld?

 

Albert Bandura, een professor in de psychologie op de universiteit van Stanford, identificeerde een aantal mechanismen die vormen van apathie (en geweld) tot gevolg hadden. Zo benoemde hij de diffusie van verantwoordelijkheden onder daders, het afschuiven van verantwoordelijkheden op anderen, en de dehumanisering van slachtoffers, bijvoorbeeld door het gebruik van neerbuigend taalgebruik.

P1090311-3
Deze foto uit een sloppenwijk in Kenia verbeeldt vrij letterlijk wat er mis gaat in ons voedselsysteem. Het plastic dat in een sloppenwijk samenkomt, is daar terechtgekomen via honderden, misschien wel duizenden, producenten en consumenten. Het is niet gemakkelijk één verantwoordelijke aan te wijzen. Ondertussen eet de lokale bevolking wel vlees, zonder toegevoegde suikers en E-nummers, maar met toegevoegd plastic. Foto: Moritz Menzel

Juist deze mechanismen, die bijdragen aan het tolereren van impliciet geweld, zitten verweven in onze geglobaliseerde wereld. In wereldwijde handelsstructuren is er een eindeloze verdeling van taken, waardoor de meeste actoren de verantwoordelijkheid voor problemen (niet eens altijd onterecht) bij anderen kunnen neerleggen. Zie daar de diffusie en het afschuiven van verantwoordelijkheid op anderen. Een goed voorbeeld hiervan is de kledingindustrie of  de verwerking van afval. Door schadelijk afval te verschepen naar ontwikkelingslanden, ontlopen westerse bedrijven de hoge kosten die met de verwerking gemoeid gaan in Europa. In de ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld tijdens het afbreken van oude containerschepen in India, zijn de werkomstandigheden slecht en gaan de lokale ecosystemen kapot door het dumpen van het afval in de natuur. Door de grote hoeveelheid aan schakels, is het echter moeilijk hier een verantwoordelijke organisatie voor aan te wijzen. Het westerse bedrijf zal zeggen dat ze het schip hebben doorverkocht aan een ander bedrijf en dus niet langer verantwoordelijk zijn. De tussenverkoper zal naar de eindverwerker wijzen en de medewerkers naar hun maag.

 

Wat verder bijdraagt aan deze diffusie van verantwoordelijkheden is hiërarchie. Hiërarchie beperkt verantwoordelijkheden doordat mensen onderaan de hiërarchie de opdrachten van anderen uitvoeren. Dit veroorzaakt nog meer diffusie van verantwoordelijkheden.

 

Bovendien heeft men in een zeer hiërarchisch systeem het gevoel weinig verschil te kunnen maken, door gebrek aan macht. Hetzelfde principe speelt op dit moment in Nederland. Door de groeiende afstand tussen de politiek en ‘de normale man’, heeft men het gevoel ‘dat het toch niet uitmaakt’, dat men geen invloed kan hebben op wat er gebeurt. Let wel, dit gevoel van een groeiende afstand is niet onterecht. Nog nooit is bijvoorbeeld de vermogensongelijkheid in Nederland zo groot geweest. Dit verkleint de mogelijkheden die burgers hebben om bijvoorbeeld door middel van lobbyen invloed uit te oefenen op de politiek. Als je het gevoel hebt dat je weinig invloed uit kan oefenen op de huidige situatie, verkleint dit uiteraard de kans dat je alsnog in actie komt.

 

Ook van een bepaalde mate van dehumanisatie, het derde mechanisme van Bandura, is sprake. In Nederland duiken er steeds opnieuw weer tekenen van een geïnternaliseerd racisme op, van de zwarte pieten discussie tot de discriminatie van allochtonen in sollicitatieprocedures. Dit gebeurt ook subtiel. In het nieuws wordt bijvoorbeeld corruptie van de overheid in een Afrikaans land besproken. Ook al is dit nieuws misschien niet feitelijk onjuist, het belicht  wel maar één kant van de ontwikkelingen in het land. De groeiende deelname aan het onderwijs, of leiderschap van de jeugd in de politiek wordt bijvoorbeeld niet belicht. Wat in het nieuws komt lijkt objectief, maar dit is in feite subjectief. Door subtiel gebruik van taal en de keuze ‘wat het waard is om onder de aandacht te brengen’ worden mensen in bepaalde delen van de wereld gedehumaniseerd. We zeggen niet letterlijk ‘deze mensen zijn minder waard’, maar we noemen ze terroristen, vluchtelingen, of Afrikanen met zwakke instituties en corrupte overheden. Raad eens? In feite heeft dat hetzelfde effect. Bovendien, legitimeert het blijkbaar een strenge grensbewaking, een Turkije deal, oneerlijke handelsverdragen, en het exporteren van de gevolgen van klimaatverandering naar deze ontwikkelingslanden.

 

Uit het idee van ontwikkelingshulp alleen al spreekt al een zekere mate van neerbuigendheid. Een relatie waarin de één hulp biedt en de ander ontvangt kan men moeilijk gelijkwaardig noemen. Hoe goedbedoeld die hulp ook moge zijn.

Individualisering

Is er ooit tegen je gezegd : Leef je droom… je moet je dromen najagen. Je hebt maar een leven. Of de bekende uitspraak van Steve Jobs tijdens een speech op Stanford – ik parafraseer –  : “Als dit je laatste dag zou zijn, wat zou je dan met je dag doen?”

 

In een samenleving waarin je status wordt afgemeten aan je prestaties is jezelf opofferen voor iemand anders niet per se een logische keuze. In een economie waarin de belangrijkste eigenschap van de mens egoïsme en handelen naar eigenbelang is, gaat de mens zich daar langzaam ook naar gedragen. En als je in zo’n samenleving status en geld verwerft, ga je misschien zelfs geloven dat je dat door je eigen toedoen hebt bereikt. Want dat is je je hele leven verteld: als je hard werkt kan je alles worden. Maar ook, je bent verantwoordelijk voor je eigen succes en je eigen falen. In het geval dat je daar zelfs maar een klein beetje in gelooft, zou je dan meer of minder snel je rijkdom met andere delen? Bovendien, wat ga je in zo’n wereld denken van de mensen  die het niet gemaakt hebben, die gefaald hebben, die – in jou ogen – niet hard (genoeg) gewerkt hebben? Zijn die ook verantwoordelijk voor hun eigen falen? Een beetje wel toch…

 

Met andere woorden, de ‘Amerikaanse droom’, de nadruk op het individu in de westerse samenleving, draagt bij aan een verminderde solidariteit voor anderen. De ideologie geeft ons een excuus om niets te doen. Wij hebben er namelijk (wel) hard voor gewerkt, en de ander niet.

Hoe we wel in actie kunnen komen

Okay, dus nu weten we hoe het niet moet. Als je een competitie voor onze aandacht, combineert met apathie, afstand, globalisering, individualisering en hiërarchie krijg je een situatie waar je moedeloos van wordt.

 

Maar, wat zou er gebeuren als we deze mechanismen om zouden draaien? Wat gebeurt er als we ons bewust worden van de constante prikkels, de stroom aan negatieve berichtgeving, en actief en rationeel nadenken over hoe we (A) constructieve informatie tot ons kunnen nemen en (B) daar effectiever op zouden kunnen reageren. Wat gebeurt er als we bijvoorbeeld kiezen om ons op één probleem te richten en daar twee uur per week aan spenderen samen met anderen? Bovendien, wat gebeurt er als we af en toe proberen letterlijke en figuurlijke afstanden te overbruggen? Wat zou er gebeuren als we ons voornemen één maal per week te praten met iemand  die we nog niet kennen en met wie we normaal ook niet zouden spreken? Wat gebeurt er als we vragen, wat die persoon bezighoudt, waar hij of zij dankbaar voor of teleurgesteld over is? Wat nou als we nadenken over het effect van onze consumptie in tien jaar tijd?

 

Dit lijken simpele acties, maar ze kunnen helpen om de onbewuste effecten van de structuren om ons heen tegen te werken. Zo kunnen we samen letterlijk de struisvogelpolitiek bestrijden. Visie is niet als de olifant die het uitzicht belemmert ** – zoals Mark Rutte ooit zei – , maar een teken dat je verder weet te kijken dan ‘het incident’ of ‘het symptoom’. Met onze kop boven het zand pakken we de uitdagingen van onze tijd aan bij de wortel. Met onze kop boven het zand zijn we tegelijk adaptief en anticiperen we op onze omgeving. Daarnaast focussen we ook  op de problemen die er echt toe doen. Maar bovenal, met onze kop boven het zand zijn we niet alleen, maar zien we vanzelf al die andere mensen die het ook proberen.

Bronnen:

Bregman, R. (2018) Empathie is niet de oplossing, maar de oorzaak van onze grootste problemen. De Correspondent. https://decorrespondent.nl/8125/empathie-is-niet-de-oplossing-maar-de-oorzaak-van-onze-grootste-problemen/1202399412500-38e421ba
Mommers, J. (2015). Wie de wereld van de ondergang wil redden, kan over het einde maar beter zwijgen. De Correspondent. https://decorrespondent.nl/3622/wie-de-wereld-van-de-ondergang-wil-redden-kan-over-het-einde-der-tijden-beter-zwijgen/536011159640-84bf0b8a
❃Het boek van Frankl heette ‘Trotzdem Ja Zum Leben Sagen’
❃❃Wat de uitspraak exact was daar zijn de rapportages niet eenduidig over. De Volkskrant rapporteerde “Visie is als de olifant die het uitzicht belemmert”, terwijl de Elsevier schrijft “Visie is als de olifant die het uitzicht beneemt”
Advertisements

The interesting people you meet when you work in a mountain hut

Since mid-February I have been working in a mountain hut 2147 meter high in the Austrian Alps. When I brainstormed about writing a blogpost about my stay here, I came quite quickly to the conclusion that I wanted to write about the people. Their characters shape my days and make this place so unique. Not only are my colleagues a very (internationally) varied group of people, they also make guests come back again and again.

IMG_4056
In the far distance you can see the Franz-Senn Hütte

 

But the people you find here are interesting for another reason. It is quite a radical decision to spend multiple months working in a mountain hut that is spatially secluded from civilisation. To get here you need to drive for half an hour from the nearest village and then still ski for three hours or sit in a cableway for some time. The people you are surrounded with are limited to your colleagues and guests. When you have a day off your options are limited to skiing, taking a walk, sleeping, calling, reading and chilling with guests. You might think that I am not enjoying myself here. Quite the contrary, but these challenges made me wonder what drives people to choose for this kind of life.

MagdalenaIMG_4173.jpg

This is Magdalena. Magdalena is 4 years old and the daughter of the couple in charge of the hut, ‘Beate and Thomas Fankhauser’. Her hair appears to be made of shiny gold. She loves candy and has the cutest presence on this hut. She doesn’t talk that much to me – I am working on that -, but seeing her walking and running around is a treat already.

Horst

IMG_4247-3.jpg

Horst is the 73-year-old legend of the Frans-Senn Hütte. He ran this hut for 40 years together with his wife Klara, whose parents ran the hut before that. Horst impersonates an important wisdom. People that are impressive don’t stress their achievements. Their acts speak for themselves.

 

Horst climbed three 8000 m high mountains in the Himalayas successfully and survived 4 avalanches, but will only talk about those experiences when you ask him. For the three successful climbs he paid a high price. He almost died himself once and lost two friends on the mountain during one of his climbs. At the time his children were very young and he decided to quit for at least a decade before he climbed his last 8000’er when his oldest son had turned 15.

 

About all these experiences Horst talks bluntly, but modestly. He is sceptical about attempts to control nature and modest about his ability to forecast weather and estimate avalanche danger, despite his lifelong experience with mountaineering.

 

However, what is most impressive about Horst is his charisma based on kindness, modesty and humour. He is one of those people that are kind and warm because they are in a good place themselves. Moreover, he gets along with pretty much everyone. Believe me, his smile will make you smile too.

 

Another fun fact : when Horst was young he lived in the Netherlands for a few months. He even had a dutch girlfriend!

KlaraIMG_4275

Klara’s life story is fully intertwined with the Franz Senn Hütte. Although she grew up in a different hut, she spent the rest of her life in or close to the hut. Its where she met her husband, Horst. Its where she raised her three children. And the hut is the place where she now spends time with her grandchildren. With some people you have the feeling that they are a walking history book. And I mean that positively! Klara is such a person. She knows so much about the history of the hut itself, but also of all the mountain guides active in Austria, and the different type of guests that come to the hut. (She likes Dutch guests). That makes it fascinating to talk to her. Her sharpness, leadership and intelligence inspires me. Moreover, she makes the nicest pizzas!

DambarIMG_4015.JPG

When you ask Dambar how he is, he always says “super”. When he asks you how you are, or how it is going, he will say ‘Super oder?’. He is from Nepal. His German mixed with English shows an endless positivity, of which I still have to find the source.

 

AngelikaIMG_4203

In another life Angelika would have been a comedian, or in her own words “maybe just crazy”. You should see her during the process of preparing a käseknödelsuppe. Her expressive faces provide her colleagues with endless joy. When people ask her on a birthday party what she does ‘beruflich’, she answers that she ‘cleans’ for a living. Yes, she likes shocking people! She studied ecology at university, graduated with good grades, but decided then that she better liked working with her hands. People were a little surprised then, but after some years had nothing left to do but to accept her decision. The coolest job she ever had was being a receptionist at a small art gallery with two photos. No one came to visit, so she could spend the whole day reading, sleeping, calling, and studying, while receiving 8 euros an hour. Oh yeah… a glass of red wine can be found in her close proximity during dinner, as well as stories about her travels to Nepal, Asia, and Latin America.

 

JanIMG_4199-2.jpg

This is Jan. He comes from Slovakia. In another life he was a famous lab scientist. He has Einstein like eyes, which you might see if you look at this picture long enough. His hair seems to have exploded during an important discovery of electricity that I may or may not have witnessed. The name Jan therefore now no longer stands for the average normal Dutch guy, but for an epic breakfast partner in crime. (He turns the disgusting sticking marmalade salami plates into butterflowery smelling ones). #respect. Typical for Jan are his work ethic and his wide-open eyes when you ask him a question or when someone tells a good joke. Also, he is epic at cutting wood and making fires that last the whole day and warm the hearts (and backs) of every guest in our ‘Stube’.

 

LacoIMG_4209.JPG

On the left here you see Laco, who is also from Slovakia. His favourite sentence is ‘whop chiep chiep’, which is to express some kind of secret message that has something to do with ‘his Schatze’ and sexy dancing. Or with dancing in bikini’s in the snow when it is warm outside – which is to say 4 degrees -. Not that anyone has done that, so far.

 

Obviously, he likes cutting onions with ski goggles on so that he can get right back to skiing when he is finished with the onions. The thing is I have not yet caught him skiing, but I am convinced that is because of his legendary skill and speed. I just wasn’t quick enough. As you can see, Horst liked this scene as well. To which Laco responded: “If you are a photographer, then I am a celebrity, right?”.

 

MiriamIMG_4179.JPG

Miriam is my roommate. She can enjoy a little quiet sometimes, like me. Our favourite activity together is cutting apfelstrudel into pieces when it comes right from the oven in the morning. There is always some delicious crust left over on the baking tray (sorrynotsorry). She likes knitting, listening to music, and is a psychology student from Bayern in southeast Germany. Her English and Spanish are impeccable. Writing this text, I realised how difficult it is to write about her, because there is nothing ‘outrageous’ to be told. She is just incredibly charming, funny, and a great person to go a little crazy with behind the bar.

 

SteffenIMG_4255

Steffen comes from a little town in Western Germany nearby an already little town called Bielefeld. So the question he has to answer all the time is how he comes to work on a mountain hut. You are wondering it too right? Well, he worked in a bank before, but needed a new challenge. The rest is history. Even though he had no experience with working in hospitality before coming, he is now nailing it. Bringing the soups to all our guests, cross country skiing up the mountain multiple times in the blink of an eye, being a chess master, he does it as if it is nothing to him.

In the morning Steffen and I run breakfast together and are supervising the eggs of our guests in the egg cooker. Our jokes include the ‘Eiermaffia’, ‘Eiermama’ and ‘Eierpapa’ and much much more. He loves telling stories of guest asking remarkable questions and of him giving even more remarkable answers. There is one thing I am sure about with Steffen: in 10 years he has ran a marathon and is still just as funny, if not funnier, as he is today.

 

MarioIMG_4271

This is Mario together with Klara. Mario is your go to person for solid advice on ski-touren and to order a beer. Mario literally loooves ski-tours. In his breaks during the day he goes – guess what ?– to make a skitour. But what is a ski-tour? It is climbing a mountain but then on ski’s. The advantage of that is that you can ski back to the hut and don’t have to descend by foot. Most people come to the hut for those weird tours.

In a few weeks, Mario goes on holiday for a week to to go, – yeah right – make skitours for a whole week. Is there then anything else to know about Mario? Yes, he gives great to ask advice on skitours – or did I already say that? – , gives skiing lessons, understands me when I speak Dutch to him – omg yes – and would like to become a ‘bergführer’ one day. Pretty ‘bergbegeisterd’ I would say.

MatthiasIMG_4211.jpg

Last but not least, Matthias is the oldest son of Beate und Thomas. He just started going to school in the village in the valley so he is only here during the weekends. Matias likes helping out around the kitchen. On the picture he is helping Angelika preparing the soup for dinner, but you might also find him doing the dishes for a few minutes in the afternoon. The moment you bring a plate, he jumps up to place it into the dishwasher with an enthusiasm, curiosity, and commitment that I believe you can only find in children. We also call him the ‘junior chef’.

When I see Matthias walking around here at the hut, he makes me wonder. Where are he and his sisters in ten, twenty years? What is expected of them, not outspokenly but implicitly, but also what joys and experiences will their unique childhood bring them?

 

Conclusion

That was it already! I hope you got an impression of the wonderful people that surround me here!

All photos by Vera Vrijmoeth

 

P.S. As you might understand I wasn’t able to make a portrait of all the people working for or affiliated with the hut. This says nothing about the people that were not mentioned. My aim was mainly to shed some light on the interesting aspects of the kind and inspiring people here that you might not (fully) see when you visit for a day or two.  I hope and wish that despite it being far from “complete” reading this article was interesting to you! 

 

Wat een maand in de horeca je kunnen leren over dankbaarheid, dienstbaarheid & voedselverspilling 

Voor me lagen linnen doeken. Zojuist had ik er 100 gevouwen tot een envelopservet. Ik had er nog minstens 400 te gaan. Vierhonderd! Ik dacht aan Nietzsche, Foucault en de invloed van robotisering op werkgelegenheid. Hoeveel bracht deze kennis me op dit moment? Niks. Niente. Nada. Ja, robots kunnen nog geen servetten vouwen, wojooo, thanks Obama!

 

Mijn ervaring

Werken in de horeca. Ik dacht: ik doe het even. Ik had een maand voordat ik naar de Alpen zou vertrekken (werken in een berghut op 2100 meter; daarover in komende artikelen meer). Dat kon ik makkelijk opvullen door in de horeca te werken. Een tussenjaar gaat gepaard met verschillende baantjes toch? Het bleek een recept voor de meest rare situaties. Ik was er gewoon in gevallen: met mijn neus in de boter. Of had ik boter op mijn hoofd? Ach, wie zal het zeggen.

 

Om twaalf uur ’s nachts, de nacht van oud op nieuw proostte ik niet met mijn familie of vrienden op het nieuwe jaar, maar met collega’s in een Skybar in Eindhoven. Inderdaad, mensen die ik nog geen drie uur daarvoor had leren kennen. De volgende dag liep ik zonder ooit eerder met een dienblad te hebben gelopen door een hossende zaal vol dronken mensen. Twintig bestellingen tegelijk onthouden, inclusief Sneeuwwitje’s, Baco’s en Apfelkorn- sparood. Mensen die weg zijn op het moment dat jij het komt brengen. Geen probleem. Sokken in de voorkant van je hakken omdat ze te groot zijn en dan acht uur lopen? Doen we even.

 

Het moment dat ik even met een vriendelijke beveiliger achter de schermen stond te kletsen en terugliep naar de zaal, realiseerde ik me hoe absoluut willekeurig het was. Ik, daar, op dat moment. Ik stelde mijn uitzicht voor als een scene uit een ‘Boyhood’-achtige film. Je kent het wel. Zo’n film met van die korte artistieke sketches van feestende mensen door de ogen van de hoofdpersoon gefilmd met obscene versterkte muziek eronder. Die muziek moest natuurlijk de verdwaasde ervaring van de hoofdpersoon uitdrukken.

 

Het rondbrengen van bitterballen op een bedrijfsborrel in zowaar een ballenbak was het dieptepunt. Jazeker, ik had een riem on mijn middel met een bak eraan en bitterballen erin. De mensen waren vrolijk en wilden allemaal dat ik bij hun tafeltje langskwam. Dan pakten ze een bitterbal en bood ik ze een toefje mosterd aan. Uit mijn ‘spuitfles’ die ik met mijn witte handschoentjes bedekte handen vasthield. “Jij bent goed bezig” kreeg ik veelvuldig te horen. Maar de absurde “maatpak handen in een bitterballenbak” en “witte handschoentjes en een mosterdspuitfles” lieten me niet los. Mijn gedachten dwaalden af naar een creep starend naar de spelende kindertjes in de ballenbak bij de McDonalds. Hij had een mosterdspuitfles in zijn rechterhand. Hij liep naar de ballenbak en graaide met zijn linkerhand en pakte iets vast. Ik schrok wild op. “Mag ik nog een bitterbal mevrouw?”

 

 

Deze unieke en absurde situaties daargelaten, hoe was het werk over het algemeen? Wat neem ik mee uit mijn dagen in de horeca? Ik genoot enorm van het net even wat extra’s doen voor mensen. Een glimlach op het gezicht van een gast is toch iets onbetaalbaars.

 

Werken in de bediening levert ook geen stress op over deadlines, planningen, of volle mailboxen. Daar mag je leidinggevende over nadenken. Je werkt gewoon en als je klaar bent, ben je klaar. Je verantwoordelijkheid is beperkt tot het gelukkig maken van je gasten, het niet laten vallen van glazen – moeilijker dan je denkt -, en goed samenwerken met je collega’s. In het tijdperk van een nationale burn-out-epidemie biedt deze hiërarchische organisatieopzet verrassend veel rust, structuur en duidelijkheid.

 

Voedselverspilling

Natuurlijk heeft dit ook een keerzijde. Je gooit liters champagne, koffiemelk, en cola weg zonder te hoeven nadenken over de gevolgen. Door de diffusie van verantwoordelijkheid wordt je eigen morele kompas uitgeschakeld. Want de baas had gezegd dat we nog twee dozen open moesten maken voor de zekerheid. Daar sta je dan met je studie milieuwetenschappen twaalf flessen champagne in glazen te schenken “gewoon voor de zekerheid” om ze twee uur later weg te spoelen. De helft van de appeltaart is maar opgegeten, tsja de prullenbak in dan maar. Met andere woorden, de cultuur waarin je gewoon doet wat ‘de baas’ zegt kan het zelf blijven nadenken ondermijnen en bijdragen aan verspilling.

 

Wat ook bijdraagt aan voedselverspilling is dat alles in het werk wordt gesteld om de klant altijd voldoende keuze te geven, zonder dat die klant hier ooit de negatieve gevolgen van ziet. In praktijk betekent dit dat er nog 300 extra toetjes in de keuken klaarstaan, die de gasten nooit zullen zien – noch geserveerd noch in de prullenbak – . Dat is ook gastvrijheid, de klant afschermen van de verspilling die hij of zij onbewust veroorzaakt.

 

Ik vroeg me daarom af waarom hotels en horecagelegenheden zichzelf niet meer profileren op het tegengaan van voedselverspilling en recyclen van hun afval, terwijl ze wel authentieke donuts, huisgemaakte speltbroden en versgeperste biologische jus d’orange op het buffet hebben staan. Dat klinkt als behoorlijke greenwashing, terwijl men met een paar kleine aanpassingen al een groot effect zou kunnen bereiken.

 

Je kan denken aan plastic en papier van restafval scheiden, kleinere hoeveelheden eten en drank klaarzetten, en voedsel dat over is niet weggooien maar verkopen voor een goedkope prijs via de app resQ* of schenken aan voedselbanken of restaurants zoals InStock. Ook ben ik benieuwd naar de mogelijkheden om data (weer, ticketverkoop, online zoekgedrag naar het evenement, etc) te analyseren om zo opkomst en de benodigde porties preciezer te kunnen inschatten. Zo zou de 65 miljoen ton voedsel die wereldwijd per jaar wordt weggegooid in de horeca omlaag kunnen worden gebracht. De gelegenheden besparen geld bij de inkoop en de steeds meer milieubewuste klant kan een geïnformeerde keuze maken. Een luxe ervaring wordt dan niet langer gecreëerd door overdaad, maar door ‘precies genoeg’ klaar te zetten, van een bepaalde kwaliteit en herkomst en met de garantie dat er ook achter de schermen weinig voedsel en drank verspild wordt.

 

 

Dienstbaarheid

Ook al zal ik niet de rest van mijn leven in de horeca werken, de ervaring heeft me een belangrijke les geleerd over dienstbaarheid en bescheidenheid. Door de dienstbaarheid van de een, wordt het comfort van de ander mogelijk gemaakt. De glamour, die hoort bij in de watten gelegd worden in een restaurant, club, of festival, staat bijna lijnrecht tegenover het harde werk dat nodig is om die ervaring mogelijk te maken. Horecapersoneel verdient dus een grote dosis respect, die het nog te weinig krijgt. Dit weten we allemaal wel, maar het letterlijk ervaren als horecamedewerker is toch andere koek. De harde realiteit is namelijk dat als jij diegene bent die ‘bediend wordt’, of het nou letterlijk in een restaurant is of meer figuurlijk als consument, kenniswerker of toerist, dat maar al te vaak vanzelfsprekend voelt. Je betaalt er immers voor toch?

 

Daarom… Mocht ik in de toekomst een chic diner bijwonen en de 500 servetten zien liggen, dan denk ik hopelijk met een glimlach terug aan die drie uur van mijn leven die ik servetten vouwend doorbracht. En natuurlijk geef ik een heel dik compliment aan het personeel dat zich staat uit te sloven. Doe je mee?

 

 

 

Werk je in de horeca? Dan kun een van deze interessante initiatieven die voedselverspilling tegengaan aandragen bij je baas:

 

Wastewatchers: https://wastewatchers.eu/nl/voedselverspilling/

App die koks inzicht biedt in hoe ze de voedselverspilling in hun bedrijf kunnen verminderen.

Artikel over wastewatchers : https://munchies.vice.com/nl/article/4x5p7w/met-deze-app-kunnen-koks-bijhouden-wat-ze-weggooien-en-minder-eten-verspillen

 

*ResQ: https://www.resq-club.com/en/

Actief in Amsterdam. App waar je goedkope maaltijd kan kopen die restaurants over hebben.

 

Buurtbuik: http://buurtbuik.nl/

Draagt bij aan lokale buurten door overvloedig eten op te halen bij horeca gelegenheden en hier een maaltijd voor de buurt mee te verzorgen. Zo dragen ze bij aan gezelligheid en sociale cohesie in Amsterdam.

 

 

 

 

 

I chased my passions into confusion — a 25-year-old looks back

We are proud and honoured to present this article by our guest blogger Joshua James Parfitt. After travelling the world, studying multiple subjects, daring to follow his passions, he reflects on what he has learned.  

 

“[…] and the esteemed doctor, after twenty years, finally refined his precise technique for putting in the needles […]”

 

Twenty years. Twenty years! I panicked to myself, sitting at the back of my introductory class to a BSc in Acupuncture, at London South Bank University. The idea of helping people kindled an inner purpose, but the reality that I’d be perfecting finger movements for twenty years before I was any good sounded utterly depressing. Besides, I could barely hold a spoon without spilling my breakfast onto my eyebrows.

 

The betrayal was like buying a house, only to find that the front door opened straight onto a bombsite. I can’t wait that long to start saving the world, I decided. I backed out of the tuition fees and loans. I freed myself from this cruel trap of time. Free!

 

That was the late summer of 2013. To put those London-plane-leafed days into context, I had, earlier that summer, dropped out of my second year of university. I was studying music, but I had had an internal argument with the university system: it wasn’t teaching me the things I thought I needed. Sure, I could explain the dynamic relationship of music across the Atlantic triangular trade route, but put me in front of an audience and I’d seize up.

 

It felt like university was discouraging my dreams. I came thinking that the only conceivable vision of success in music/poetry was to be the guy, on stage, surrounded by the enchanted audience. Looking back, I could have made a more discerning choice of degree programme. But at the time, I was terrified that I’d be wasting a whole year of life (I only had one year of study left) and be no closer to living my passion with poetry.

 

After finishing my second-year exams, I braved an encounter with a university careers councillor. “I don’t think I like university. I want to be a poet, and this isn’t helping me. I’m thinking I should quit…” Her reply came quick and cold: “If you already knew you wanted to be a poet, you wouldn’t be here asking me.”

 

It was strange advice, in hindsight, for it baited my fledgling confidence into carelessness. It felt like a challenge. I dropped out immediately.

 

I quite enjoy reviewing these memories now, from the serene plateaus of 25, but at the time a misjudged afternoon plan felt akin to realising you’ve married the wrong person. I was incredibly dedicated to finding success, and worked some ridiculous hours doing so, but I was also racked with guilt that if I didn’t invest enough time and effort I was doomed to never make it.

 

The poetry experience ended up becoming a repeating prophecy for the better part of three years. The cycles began an ended in a predictable fashion: become amazingly fascinated by something; buy all of the books; make a huge commitment; become terrified I’ll never make it; run away; repeat. This happened with hip-hop music,  gardening, martial arts, and sustainability. All within three years.

 

Contrary to supermarkets, the abundance of choice is paralyzing. Once a decision is made, our hearts go through a perplexing carnival of joy, jealousy, anxiety, assurance and regret. That’s not always an easy thing to listen to. It’s an incredible privilege to have choice, of course, but it doesn’t guarantee contentment.

 

I speak to many people now who complain about their jobs, or say: “This isn’t what I want to do.” I’ve known office robots who saw the light and cycled half-way around the world to make sandals from used tires. My grandma passed me a story of some ‘hipster’ who quit the city to carve spoons in the woods. (“Hey! This reminds me of you,” she said.) One of my own parents has a regular corporate job, and yet dreams of fishing trips and kayaking to remote islands for a spot of camping. The arguments for a working life filled with passion and adventure are compelling and drove me to pursue it, sometimes to my own detriment.

Yet I want to tell you why you should not expect to only and continuously be passionate about your line of work. Don’t simply follow your passion.

 

There, I said it. Let the ripples settle.

 

 

Not that I’m a scrooge-type character revelling in the misery wrought by telling a child, “Santa ain’t real, kiddo”, but ‘following your passion’ seems to have become our generation’s ideal, upon who’s altar we sacrifice books, workshops and careers. It’s great advice, in theory, but I don’t believe it works until you’ve calibrated your ideas correctly.

 

The calibration I experienced happened whilst I was in Indonesia.

Joshua 3 3
Finding myself on a mountain top somewhere in Indonesia

Traveling down the cliché-paved path of twenty-somethings going off to find themselves, I won a scholarship to study in Indonesia for a year in 2015 (languages were a skill, but not a passion of mine). Throughout my year there I covered all my essentials for revelation: Motorbike, check; volcanoes, check; spicy food, check. And yet, by the end of the adventurous year was in no way clearer about my career. I couldn’t travel forever. I had gone through more cycles of becoming a bamboo craftsman and a sustainable product designer. (Yes, I very nearly applied to do a new BSc in the UK.) Still I was left none the wiser.

 

I thought I found an ancient hint in the carvings at the 9th century temple of Prambanan, in Yogyakarta, but when my grandma told me that her village church was about the same age I was struck by a peculiar desire to see if the bible had anything to say about work.

 

And there, I opened up the bible. Many people reading this may be of no religious denomination, and I was not a believer at the time, but there are many interesting nuggets of wisdom very relevant for our secular world. The bible still finds itself in many popular proverbs and sayings—such as: can a leopard change its spots; an eye for an eye; pride comes before a fall; wolves in sheep’s clothing; and money is the root of all evil—but most interestingly the bible is behind our modern interpretation of the word ‘talent’.

 

There is a particular parable in the gospel according to Saint Matthew called The Parable of the Talents. It talks about a ‘talent’ as a kind of weight, and indeed if you look up the etymology of ‘talent’ you will find something along the lines of ‘a large sum of money’ or ‘a weight’.

 

Our modern interpretation of talent is largely due to the Christian theologian John Calvin.

 

In the 16th century, Calvin reinterpreted the Parable of the Talents, rehousing ‘talent’ from its original meaning to mean a ‘gift from God’—a person’s ‘calling’ or ‘natural ability’. Why is this significant? Well, in the parable, a master puts three servants in charge of his goods. He divides up the talents: five talents to one servant, two talents to another, and the final servant gets one talent. To cut a long story short, the servants who use their talents—no matter how many they have—win.

 

What I took from this is that we are not created equally in terms of the talents we have. We are often told that we can be anything we want, so long as we try, but I think this parable is saying that we just may not have as many talents (or the same talents) as an accomplished acupuncturist. But that doesn’t’ matter, because we are all ‘good at something’. It might be boring—like tidying our room, or remembering things—but if we can use that talent—as a cleaner, or a secretary— for something we love, then we’re onto something.

 

When I realised that and I considered using my talents to do something of value to other people, however mundane, a huge weight was lifted off. Its about the difference between being passionate about our line of work and being passionate about what our work achieves. Our accomplished acupuncturist surely needs a cleaner, and a secretary, to help patients through his own talent of precision. It doesn’t have to be me putting the needles in, so to speak. There are myriad ways that one’s particular skills could be a vital service for an acupuncturist.

 

I think that the famous poet Kahlil Gibran, in his book The Prophet, understood how we glamourise certain lines of work over others. In his chapter entitled Work he writes:

 

Often have I heard you say, as if speaking in sleep, “He who works in marble, and finds the shape of his own soul in the stone, is nobler than he who ploughs the soil.

And he who seizes the rainbow to lay it on a cloth in the likeness of man, is more than he who makes the sandals for our feet.”

 

Gibran’s answer is that: “But I say, not in sleep but in the overwakefulness of noontide, that the wind speaks not more sweetly to the giant oaks than to the least of all the blades of grass”. I think you’d need a good few talents to decipher than one. Perhaps, to make it easier to understand, I’ll turn to a song by reggae singer Chronixx, who croons in Legend that:

 

On the ocean of fame / I’m an unknown sailor / I’m the percussionist playing with The Wailers / The one with the shaker / The mover and shaker / My name wasn’t on the front of the paper / But me no cater / Much more than the worker / The work is greater

 

I suppose this last line is the crux of my musing. It hit me when I applied for an internship with a renewable energy company Indonesia and they asked me to write success stories for them. But surely the one designing the technology and making the world a better place has the best job! my heart told me. I must go back and study renewable energy. “You have no background in engineering, but you speak Indonesian and can write in English,” they replied. It broke, and angered, me.

 

For the record, I struggled interviewing people. It’s awkward. I’m terribly fussy and a perfectionist when it comes to writing, but at that moment in time I was the only one who could do it. I cannot say if I have talent, but when my stories attracted new donors, and even a documentary film crew, I started seeing the importance of my work. The ‘talent’ might well be a pain in the arse. You might hate it. But if it’s in service of something greater that is important, then it could be your blessing.

 

Though I am currently passionate about the environment and envious of accomplished researchers traversing the tropics in search of frogs, there’s bound to be someone who’ll need me to speak Indonesian and write in English for them—most likely at home, boo hoo. But the better I am at these two skills, the better I will be able to help the environment for others to enjoy.

 

I’m the man who cooks the food / And feeds the street people in the afternoon / I’m the lady with the broom / Sweeping the halls of your sons pre-school / I’m the soldier who’s up all night / Making sure everything’s alright / And if you ask me I’m quite fine / Being an ordinary person doing what’s right

 

Either way, I’m glad I don’t have to stick a needle in anyone. I just found rice on my forehead as it is.

Pictures Joshua James Parfitt
Want to read more articles written by Joshua? Check out his website  

 

A summary and review of Breaking the Chains – Confinement of the mentally ill in Indonesia

A couple of weeks ago, the first Dutch Global Health Film Festival took place (28 October 2017). I took the train to Utrecht and arrived at art house cinema ‘t Hoogt just on time (or rather, a bit too late). The one-day long festival consisted of documentary screenings on various topics within the field of global health, especially concerning low- and middle income countries. About half of the attendants were medical students or medical professionals, the other half were individuals with an interest in global health (of which I am one).

 

I could go on to give an overview of the various films that were screened during the festival. Instead, I would like to focus on one documentary specifically: “Breaking the Chains” (2015). I have multiple reasons for this.

 

Firstly, “Breaking the Chains” (64 min) captures a pressing issue: the confinement and maltreatment of the mentally ill in Indonesia. To be precise, the documentary was filmed in the West part of Java. Confinement of the mentally ill is an issue concerning global mental health and human rights – both personal fields of interest. During my bachelor’s degree I studied international law, anthropology and psychology. For my thesis, I looked at the connection between large-scale societal developments and mental health issues among today’s generation of young adults.

 

Also, this ethnographic documentary truly moved me. I sat in the cinema with a close friend of mine and we were left puzzled by the disturbing images but also awe inspired by the power the film had on us. I believe that when a documentary leaves such a mark, it is a good piece of work. I was glad my friend convinced me to go over and talk to the filmmaker after the screening.

 

“Breaking the Chains” is the work of Erminia Colucci, professor in the field of mental health & culture, and cultural psychiatry at Middlesex University, UK. Colucci is also a visual anthropologist and former clinical psychologist. The aim of this documentary is to raise awareness about the confinement of the mentally ill, as well as to gain an understanding of the set of beliefs and customs supporting the practice (Colucci 8, 2013).

 

Background on pasung

Confinement of the mentally ill has a long history. Almost all societies have restrained people with mental illness at some point in time (WHO, 2011). Today, the physical constraint of mentally ill individuals still takes place in many parts of a world and is an issue that is pretty much completely ignored (Colucci 7, 2013).

 

Indonesia is the first of low and middle income countries to take measures to eradicate the confinement of the mentally ill, a practice known as pasung in Indonesia (Colucci 11, 2013). In 2010, a local program was initiated in the Indonesian province Aceh to eradicate pasung. Shortly after, the Indonesian Ministry of Health followed with a nationwide program: Indonesia Bebas Pasung (Indonesia Free of Pasung). The main goal of the program was the eradication of pasung by 2014 (the deadline has been extended to 2020) as well as the provision of appropriate medical treatment and care to those in pasung (Puteh, et al, 2011).

 

According to estimates, in 2013 around 26.000 mentally ill individuals were in pasung in Indonesia (Colucci 7, 2013). Due to the national program, this had somewhat decreased, with an estimated 18.000 individuals in pasung in 2016 (Sharma, 2016).

 

These individuals live in isolation, locked away in a small space, in a room of the family home, a small shelter next to the home, or up to a few kilometers away from the home (Puteh et al., 2011). They do not see any daylight. Most of the time the confined individuals are naked, underfed and have to live in their own excrement (Colucci, Movie-ment). Methods of physical constraint include shackles, rope, and wooden stocks. Confinement can last for a few months but also years, sometimes up to 30 years (Suryani et al., 2011).

 

Causes of pasung

Despite the national ban of pasung in 1977 (Sharma 17, 2016), it was not until 2010 that the government set up a national program with the aim of making an end to pasung. It took so long because of the absence of a human rights framework and mental health legislation in Indonesia (Colucci 10, 2013). This largely has contributed to the prevalence of pasung.

 

The practice of pasung is also deeply connected to poverty. In the rural area of West-Java, as in most parts of Indonesia, there is a lack of mental health care resources. Impoverished farmer families live hours away from the only, overcrowded and underfunded psychiatric facility in the area (Colucci 510, 2016). Treatment is not only unaffordable but also difficult to access (Colucci 10, 2013).

 

Furthermore, the inadequacy of the Indonesian mental health system is held in place by uncoordinated, and at times even conflicting health care interventions: traditional (spiritual) versus a biomedical intervention.

 

Thus, in nearly all cases, confinement is the only available means of protecting severely mentally ill individuals from possibly doing harm. The caretakers fear the individual to be a danger to him/herself, and/or to the wider community (Puteh et al., 2011). Data is lacking – barely any research has been done on pasung. However, one of the few studies indicates that 87% of those in pasung are schizophrenic (Puteh et al., 2011), showing that the practice of confinement concerns those with severe mental illness.

 

Breaking the Chains

For “Breaking the Chains”, over the course of one and a half month, Colucci followed several volunteers of the community organization Komunitas Sehat Jiwa (KSJ, ‘Community for people with mental illness’). The organization, based in Cianjur, West-Java, is led by individuals who themselves previously suffered from mental illness. Efforts to eradicate this practice are taken on all levels (Colucci 8, 2013), from the top-down government approach to the bottom-up approach of volunteers.

 

The volunteers of KSJ work by continuously going on home visits. The film follows the leader of KSJ, Nurhamid, who had previously been diagnosed with bipolar disorder (Colucci 15, 2013). He and his team check up on those in pasung, mostly individuals affected by schizophrenia. They travel miles and miles to reach confined individuals, some so remotely located that they are inaccessible by car. Ultimately, the aim of the KSJ team is to convince the caretakers to provide the individual in pasung with a medical treatment and eventually for him/her to be released (Colucci 15, 2013).

 

“Breaking the Chains” tells several stories of pasung victims. One is that of Yayah, a woman who has been chained for 17 years. Another is that of Asep Abdul, a young boy who was confined after he went missing for years. The film also follows Nurhamid and his helpers when they go searching in the jungle for Hadad, who was buried in the ground up to his neck for 12 years (Colucci 509, 2016).

 

Spiritual vs. biomedical paradigm of health

During home visits, the KSJ volunteers educate the families and broader communities about mental illness, which they conceptualize as a ‘disease of the brain’. The volunteers’ biomedical understanding of mental ‘illness’ is clearly in contrast with lay people’s view of a ‘mental problem’ (Colucci 23, 2013). The concept of mental illness as a ‘disease of the brain’ is something many are unfamiliar with; especially those with a low level of education, often in rural areas. Their health beliefs do not fall within the biomedical paradigm.

 

 

For example, Asep, a very religious young Muslim was confined after he had set his house on fire, killing his father in the process. His local community and family believed his madness was caused by a possession by jinns (Colucci 23, 2013), “due to him overlearning the reading of Qu’ran and thereby living in his own world detached from the real world” (Tyas 39, 2008). Also in the other cases, the caretakers would attribute the conditions of the pasung victim to supernatural forces, such as possession by the devil or jinns, spells or black magic (Colucci 25, 2013).

 

Breaking the Chains 1
Asep (Colucci, Erminia)

Each of the individuals in pasung in the film had been taken to a religious center at one point in their lives. Usually they were treated more than once and at different centers, as the caretakers typically would try alternative options when one failed (Colucci 26, 2013). Spiritual healers, not just in Indonesia but in many low to middle income countries, remain, “highly popular despite the routine maltreatment of the mentally ill in their facilities” (Read, et al., 2009), such as back whipping and extremely poor hygiene (Colucci 25, 2013).

 

However, it would be too simplistic to entirely dismiss spiritual healing and to deny the important role spirituality can play in healing processes. The volunteers, not religious themselves, did not attempt to dismiss the religious beliefs and practices. Rather they tried to negotiate co-existence with the spiritual healing methods of the local communities by introducing an alternative method.

 

The volunteers never confronted or rejected peoples’ spiritual beliefs and healing methods. Instead, they would suggest alternatives: “Ok, you can continue with the spiritual healing methods but could you also try this or do this?” They often managed to gain the trust of the caretakers and eventually were able to convince them of freeing the pasung victim (Promise, 2015). Thus, they were able to bring about change by finding a way around spiritual beliefs and working within the existing system, rather than against it (Promise, 2015).

 

However, before the individual could be freed from confinement, he/she had to be on psychiatric medication, provided by KSJ, for a certain period. Medical treatment was required in order to “gain a functional enough state of mind to be released” (Suryani, et al., 2011:143). This is not to say that medication was the entire solution. Rather, medication was part of a list of to do’s that the volunteers provided the caretakers with, e.g. “talk to him, show your love, clean him, take him for a walk, be encouraging” (Colucci 27, 2013).

 


Conclusion

With “Breaking the Chains”, Colucci made an activist film aiming to raise awareness about pasung but also as a tool to make an end to the practice. She took a human rights stance but the same time is a filmmaker and cultural anthropologist, and tried to maintain a certain distance in order to observe the local beliefs and practices. As previously discussed, the practice of pasung has various (external) causes: an inadequate mental health care system and utter lack of resources, as well as conflicting health (and illness) beliefs.  

 

While forced physical confinement is a human rights violation, overall, the intentions of the caretakers are good, namely to protect the confined individual (ABC News, 2013). The caretakers are not perpetrators but rather victims themselves of their living circumstances: structural poverty and a lack of mental health care resources. It is a tricky situation without a clear perpetrator and victim, and the lack of mental health resources leading to (unintended) inhumane conditions or ‘human rights violations’.

 

To conclude, I really admire Colucci’s work. She succeeded in making a touching but also alarming film that calls for action without being too explicit: the images speak for themselves. As Colucci says about her work:

 

This research-film is my contribution to understanding and giving a voice to those who have seen their basic rights as ‘humans’ (let alone their voice) be taken away because of their mental problems and my invitation to others for an applied, public and activist visual research (38, 2013).

 

And further research and activism is definitely necessary: while the amount of individuals in pasung has decreased from 26,000 in 2013 to 18,000 in 2016 (Sharma, 2016), there is still a long way to go.

 


For more information on the documentary and practise of pasung: https://movie-ment.org/breakingthechains/

 

Trailer of “Breaking the Chains” documentary: https://vimeo.com/146913142

 


Bibliography

ABC News. New documentary explores Indonesian practice ‘pasung’. Video (2013). Video expired on ABC website. Available here: https://www.dailymotion.com/video/x2sw9c8

 

Colucci, Erminia. “Breaking the Chains: ethnographic film-making in mental health.” The Lancet Psychiatry (2016).

 

Colucci, Erminia. “Breaking the Chains: Human rights violations against people with mental illness in Indonesia”, University of Manchester (2013).

 

Colucci, Erminia. “Movie-ment”. WordPress blog. www.movie-ment.org

 

Sharma, Kriti. “Living in Hell: Abuses against People with Psychosocial disabilities in Indonesia”, Human Rights Watch (March 2016).

 

Promise, “Erminia Colucci on Breaking the Chains”. Youtube video (2015). Retrieved from: https://www.youtube.com/watch?v=a0Z6i-JPMU8

 


Puteh, I et. al. “Aceh Free Pasung: Releasing the mentally ill from physical restraint”. IJMHS (2011).

 

Read, M. U. et. al. “Local suffering and the global discourse of mental health and human rights: An ethnographic study of responses to mental illness in rural Ghana”. Globalization and Health (2009).  

 

Suryani, L. K., et al. “Treating the untreated: Applying a community-based, culturally sensitive psychiatric intervention to confined and physically restrained mentally ill individuals in Bali, Indonesia”. Eur Arch Psychiatry Clin Neurosci (2011).

 

Tyas, T. H.. “Pasung- Family experience of dealing with “the deviant” in Bireuen, Nanggroe Aceh Darussalam, Indonesia”. MA in Medical Anthropology, University of Amsterdam, Amsterdam (2008).

 

WHO. (2011). “Bugs, drugs & smoke. Stories from Public Health”. Retrieved from http://whqlibdoc.who.int/publications/2012/9789241564366_eng.pdf  (June 2013)

 

Veldhoven – A town that you should know about

Biking on a futile day, at a futile moment through Veldhoven, I can’t help but feeling overwhelmed by the ordinariness of it all. I bike past planted trees in between houses, water channels, newly built “modern architecture” but also older run-down housing. The town of Veldhoven is a typical Dutch suburb. How can we look at this heavily urbanised and relatively young town in the province of Brabant? Are feelings of normality and of the town being ‘ordinary’ justified? IMG_3574

Veldhoven was founded almost 100 years ago, in 1921, as a result of the merge of three small towns. According to Veldhoven’s Wikipedia page, in 1930 it had a mere 6900 inhabitants. After the Second World War this amount rapidly increased to the 44.680 citizens it has today.

Veldhoven grew along with the city of Eindhoven, which it lies right next to. The many technical and ICT companies settling in the area increased the demand for family housing enormously, the gap Veldhoven jumped into. It became the place to live for people with families working in Eindhoven. Veldhoven became to Eindhoven what Almere is to Amsterdam.
IMG_3588

In Veldhoven, you can find everything you need: numerous Albert Heijn and Jumbo supermarkets, elementary schools, sports- and music associations, and a shopping center ironically named: “het city centrum”. The real Veldhovenaar pronounces this as ‘het sitie centrumm’ or simply ‘het city’, combining the Dutch word for center, ‘centrum’ and the English word ‘city’.

IMG_3624

Veldhoven misses the ambience of Dutch towns with a richer history, but has its own charm. The planned design of the architecture sometimes seems to reflect the character of the inhabitants, as if the clear structure of the buildings is mirrored in peoples’ lives. On random moments, I spend a few minutes imagining how some people spend their days: getting out of bed, having breakfast, going to work, doing groceries, cooking dinner, playing with the kids, watching television, and going to bed again, and repeating the whole cycle the next day.

IMG_3589-2

Being submerged in this environment, where so many appear to ‘live’, I cannot help but ask myself: what is it all for? Why do we – myself included –  go through such repetitive routines? However, these questions can equally be applied to life in the city. The only difference is that we associate cities with being cultured and lively, and therefore less repetitive and with more meaning. 

IMG_3591

In Veldhoven there are no techno parties, but monthly ‘disco swimming’ nights for 12 year olds. There is no anonymity, but neighbours will join you for ‘gezellige’ neighbourhood barbecues. There are no Greenpeace demonstrations, but there is a lively community of volunteers working in the local churches, associations, and elderly homes. In Veldhoven there are  –  apart from an occasional evening in the library –  no intellectual discussions on the ‘future of capitalism’, but here one can enjoy a relaxed huisje-boompje-beestje life. And there is nothing wrong with that.

It is comfortable. It is affordable. It is free of pretentiousness. Veldhoven is the Dutch town we vaguely know about but never visit. It is beautiful in its predictability and simplicity. It is special in the way that it is not special at all.

IMG_3609-2

The local community gives many a sense of fulfilment that cannot be found through any career, achievement or individual pursuit. It might sound simple… but people support each other and have fun together. 

So if for some reason you end up in Veldhoven some day, or in a similar town for that matter, remember: it’s cool. Enjoy your house, ‘het city’, and the valuable community. You can always visit the city every once in a while for concerts and some neoliberal critique. 

All photos by Vera Vrijmoeth

 

Elections in Kenya – Why you didn’t hear about it in the Netherlands

On the 8th of August 2017, elections took place in Kenya. After weeks  of campaigning, every conversation on the street concerned with the coming elections, Kenyans finally went to the polling stations to vote for either the governing party – Jubilee –   or the opposition party – NASA – and elect (among others) their president.

 

During those weeks I was interning with ILEPA, an organisation in the Kenyan town Narok that works towards enhancement and empowerment of Maasai.

 

A few days before the elections, my internship partner Stella and I left Kenya and travelled to Tanzania for ‘safety purposes’. We took these measures because of previous violent elections. In 2007, widespread violence erupted on the street between among others Kenya’s largest tribes, the Luo and Kikuyu tribe. 1200 Kenyans were killed and more than half a million displaced. In Kenya, voting behaviour is heavily influenced by ethnicity – which of the 42 Kenyan tribes you belong to – , where Kikuyu vote for the party in government and Luo for the opposition party.

 

Collince, our Kenyan partner in learning and internship partner, left for his hometown Kisumu  to vote. Because of my research in Kenya, my proximity to Kenya and because Kisumu had been one of the violence hotspots in 2007, I was checking the news and situation in Kenya every day.

 

What surprised me most during those weeks was the relative lack of coverage of the election by Western news-outlets. Despite a number of serious events in Kisumu and in the informal settlements of Nairobi – at least 37 Kenyans were killed* – , there was barely any Western news-coverage of the elections. BBC World published only one article per day. In contrast to the most well covered elections in the world, the US elections, this felt absurd.

 

On the 1st of September, almost one month after the Election Day, the Supreme Court annulled the victory of Jubilee leader Uhuru Kenyatta as president-elect. Again, I experienced this quite intensely because I was driving towards the Kenyan border with friends to enter Kenya after weeks in Tanzania. A few weeks later in the Netherlands, I discovered that few people had even heard of the annulment.

 

The experience brought nuance to my preconceptions about what was happening in ‘Africa’. Instead of the regular perspectives that we get spoon-fed on the world – American elections, Europe, etc. – I got acquainted with alternative perspectives and knowledge forms. I came to understand that we often do not get informed about happenings in other (non-dominant) areas of the world, such as the Kenyan elections, simply because they rank lower in terms of importance for news outlets.

 

I had never experienced an International Relations ‘insight’ so distinctly: the hierarchy of news reflected the larger power play between states, continents and elites, which determined which stories were told and which ones were not. Not surprisingly, journalism could be perceived as ‘objective’, whereas it is most certainly subjective. Power is then expressed in the ability to present the subjective as objective or the political as apolitical. Our distance to the African continent combined with our own ‘power’ as a Western nation had translated into a particular (lack of) news.

 

*Al Jazeera

Picture Vera Vrijmoeth